Begrippen F-J

A-E F-J K-O P-T U-Z 0-9

Factor A
De factor die de hoogte van de pensioenaangroei aangeeft in een bepaald jaar. De pensioenuitvoerder moet elk jaar de A-factor opgeven. De A-factor is nodig om de fiscale jaarruimte te berekenen voor de aftrek van betaalde lijfrentepremies.
Fictieve deelnemersjaren
De jaren die meetellen voor de berekening van het pensioen, terwijl de deelnemer in die periode niet in dienst was bij de huidige werkgever. Fictieve deelnemersjaren (of: dienstjaren) ontstaan bij waardeoverdracht of bij overgang naar een andere onderneming.
Flexibele pensionering
Regeling waarbij de deelnemer, binnen bepaalde grenzen, zelf de pensioeningangsdatum kan kiezen.
FOR
De fiscale oudedagsreserve. De zelfstandig ondernemer kan een bedrag opzij zetten en toevoegen aan de fiscale oudedagreserve. Over dat bedrag hoeft dan pas op een later moment belasting te worden betaald.
Franchise
Het deel van het salaris dat niet meetelt voor de opbouw van het pensioen en waar ook geen premie over wordt betaald. Het franchisebedrag is vaak gebaseerd op het AOW-bedrag. Omdat iemand later meestal AOW krijgt, wordt niet over het hele salaris pensioen opgebouwd.
Gelijke behandeling
In pensioenregelingen moet iedereen gelijk worden behandeld. Er mag in principe geen onderscheid worden gemaakt naar geslacht, burgerlijke staat, seksuele geaardheid, ras of nationaliteit, aard of duur van het dienstverband, leeftijd, handicap of chronische ziekte
Gelijke uitkeringen
De pensioenuitkeringen moeten in een eindloonregeling, middelloonregeling en beschikbare-premieregeling hetzelfde zijn voor mannen en vrouwen.
Geregistreerd partnerschap
Een samenlevingsverband dat bij de burgerlijke stand is geregistreerd. Een geregistreerde partner is in pensioenregelingen gelijkgesteld met een huwelijkspartner.
Gewezen deelnemer
Een deelnemer die bijvoorbeeld stopt met werken en niet langer pensioen opbouwt is een gewezen deelnemer, ook wel slaper of oud-deelnemer genoemd.
Hoog/laag-constructie
Regeling waarbij de deelnemer kan kiezen voor een hogere uitkering in de eerste jaren van het pensioen en daarna voor  een lagere uitkering. Andersom kan ook: eerst een lagere uitkering en daarna een hogere uitkering.
Indexering
Het pensioen kan verhoogd worden als er een prijsstijging of loonontwikkeling is. Dit geldt voor het opgebouwde pensioen van deelnemers in een pensioenregeling, het opgebouwde pensioen van slapers en het pensioen dat al wordt uitbetaald aan gepensioneerden. Dit wordt ook wel toeslag genoemd. Er zijn bijna altijd bepaalde voorwaarden aan indexering verbonden. Zo wordt er niet of minder geïndexeerd als er niet voldoende geld is.
Indirect onderscheid
Er is sprake van indirect onderscheid als in een pensioenregeling een neutrale regel wordt gebruikt, die nadelig is voor bepaalde groepen. Bijvoorbeeld wanneer de pensioenregeling niet geldt voor parttimers en in het bedrijf werken alleen vrouwen parttime. Door die regel worden vrouwen uitgesloten van de pensioenregeling. Dat is niet toegestaan. Het maken van indirect onderscheid is alleen toegestaan, als dit objectief valt te rechtvaardigen.
Jaarruimte
Het bedrag dat in de inkomstenbelasting als aftrekpost van betaalde lijfrentepremies voor pensioen kan worden opgevoerd als in een bepaald jaar te weinig pensioen is opgebouwd.